|
Proloog
In Mythia staat iets te gebeuren.
Het is nacht en bijna iedereen slaapt. In de gevangenis zit een oude man
op de rand van een kaal houten bed. Hij staart kalm voor zich uit, zijn
armen op zijn knieën. Door het kleine raampje met de tralies in de
massief houten celdeur hoort hij de nachtwaker snurken. Het is het teken
waar hij op heeft gewacht. Langzaam komt hij van zijn bed en loopt naar
de deur. Zo dicht bij de deur klinkt het gesnurk van de wachter nog veel
harder. De oude man schudt zijn hoofd. Wachters die tijdens diensturen
in slaap vallen, dat zou vroeger toch niet gebeurd zijn, maar het komt
hem goed uit. Heel goed zelfs. Hij legt zijn handen plat tegen de deur
en sluit zijn ogen. Op zijn borst, net onder zijn kleding schijnt even
een blauw licht en het slot van de celdeur klikt open. Voorzichtig duwt
hij de deur open. De scharnieren piepen, maar het gesnurk blijft. Stilletjes
stapt hij zijn cel uit.
|